terugkeer van de inflatie
Ontdek de bijbehorende producten

Is de terugkeer van de inflatie van blijvende aard?

Jarenlang was het risico op deflatie onderwerp van discussie. Maar nu, tegen de achtergrond van een krachtig economisch herstel en een inschikkelijk fiscaal en monetair beleid, is inflatie opnieuw een heet hangijzer geworden. ​

In april is de inflatie overal sterk gestegen en in mei zelfs nog meer. De globale inflatiecijfers zouden de komende maanden boven de streefcijfers van de meeste centrale banken moeten liggen. Dit is vooral het geval in de Verenigde Staten, waar de consumptieprijzen in april met 4,2% zijn gestegen en in mei zelfs met 5,0%. Ook de alternatieve index die de Fed gebruikt, is flink gestegen, respectievelijk met 3,1% en 3,9% over dezelfde maanden. De vraag is of deze stijging tijdelijk is, zoals de Amerikaanse Centrale Bank beweert, of niet?

Inflatoire druk VS mogelijk meer dan tijdelijk

Inflatie kan worden vergeleken met een meertrapsraket met gevolgen op korte, middellange en lange termijn.

 
Ten eerste is er een basiseffect, dat wordt vertekend door het feit dat het activiteitenniveau nu veel hoger is dan een jaar geleden tijdens de eerste lockdown. Dit effect zal na verloop van tijd vervagen.
Ten tweede is er de stijging van de grondstoffenprijzen. De - vaak volatiele - evolutie ervan is moeilijk te voorspellen, maar twee elementen uit China zouden het enthousiasme kunnen temperen: het fenomeen van de herbevoorrading zou kunnen wegebben, terwijl de kredietcyclus aan het matigen is.


Ten derde is het effect van de heropening van bepaalde economische sectoren merkbaar in de inflatiecijfers. In vergelijking met het pre-coronatijdperk is er nog ruimte voor verbetering. Bovendien zijn er in sommige productiesectoren knelpunten en tekorten die langer dan verwacht kunnen aanhouden. Ten vierde zijn er de meer structurele elementen. Zoals de lonen, die vrij goed stijgen, of de huren, die volgens de voor de inflatie gebruikte gegevens niet stijgen, terwijl volgens andere enquêtes de vastgoedprijzen de pan uitswingen.

 
Het is duidelijk dat de inflatie in de VS niet onmiddellijk zal afnemen en dat zij door de talrijke herstelplannen nog lang hoger zal blijven dan vóór de gezondheidscrisis.

Opwaartse maar niet ongecontroleerde herzieningen

Dat is waar het om gaat. De prognoses worden voortdurend bijgesteld op basis van gepubliceerde gegevens en verschillende parameters. Hetzelfde geldt voor de inflatie. De marktconsensus is dan ook dat de consumptieprijzen en de PCE-prijsindex ('personal consumption expenditures' of 'persoonlijke consumptie-uitgaven'), de geliefkoosde inflatiemeter van de Fed, in de tweede helft van 2021 met gemiddeld 3,85% en 2,75% zullen stijgen, ruim boven de raming van de Fed van een jaar geleden (zie grafiek 1).

 
De prijsstijgingen hebben er ook toe bijgedragen dat de inflatieverwachtingen zijn gestegen tot ongeveer 2,50% over 10 jaar. Dit proces is normaal in deze fase van de economische cyclus en is geen nadeel voor de Fed, althans tot op zekere hoogte. Boven de 3% kan dit problematisch worden, want de ervaring uit het verleden leert hoe moeilijk het is de inflatieverwachtingen te wijzigen wanneer ze eenmaal stevig verankerd zijn.

Graph 1.png 

De Fed kan binnenkort beginnen praten over het afbouwen van haar steun

De Fed-verantwoordelijken, onder wie voorzitter Jerome Powell, blijven herhalen dat het nog te vroeg is om het monetaire beleid te wijzigen en aan te scherpen. Dit is het officiële standpunt, maar niet iedereen binnen de financiële instelling zit op dezelfde golflengte. Er zijn afwijkende stemmen te horen, ook buiten de Fed. Voormalig Fed-voorzitster en huidig minister van Financiën, Janet Yellen, heeft de mogelijkheid geopperd dat de rentetarieven iets moeten worden verhoogd om te voorkomen dat de economie oververhit raakt. Het risico van een inflatiespiraal kan niet worden uitgesloten. Om tijd te winnen zou de Fed harder op de rem kunnen trappen en de economie schade toebrengen. Als de Fed niet preventief de rente verhoogt om coherent te zijn met haar nieuwe monetaire beleidskader, kan zij wel preventief haar activa-aankopen verminderen, wat in financieel jargon 'tapering' heet. Daarom zal de Amerikaanse Federal Reserve wellicht binnenkort praten over het terugschroeven van haar steun. Er is geen precies tijdstip genoemd, maar die operatie kan in augustus worden voorgesteld tijdens de jaarlijkse conferentie van de centrale banken. De verlagingen zouden begin 2022 kunnen starten.

Nieuwe 'tapering' hoeft niet noodzakelijk schrikbeeld te zijn

Toen de Fed in 2013 aankondigde haar aankoop van obligaties af te bouwen, waren beleggers overvallen door deze onverwachte mededeling van de Amerikaanse centrale banken. Deze situatie had druk op de langetermijnrente veroorzaakt. Momenteel is de 10-jaarsrente in een jaar tijd al aanzienlijk gestegen, als gevolg van de betere economische en inflatievooruitzichten. Ten tweede worden de markten zodanig voorbereid op het vooruitzicht van minder monetaire steun dat de toekomstige volatiliteit waarschijnlijk niet zo groot zal zijn. Maar alles hangt af van de reactie en de timing van de Fed. Als de Fed tijdig, evenwichtig en coherent communiceert, zullen de markten gerustgesteld zijn en zullen de koersen wellicht niet veel bewegen. Maar als ze traag en aarzelend optreedt, vooral als de inflatie niet daalt en de werkloosheid niet snel genoeg afneemt, dan komt ze voor een dilemma te staan. In dat geval zou het wantrouwen van de beleggers de langetermijnrente opdrijven. Het lijkt erop dat we eerder afstevenen op het eerste dan op het tweede scenario.

Prijsstijgingen in Europa

De inflatie in de eurozone steeg tot het hoogste niveau in meer dan twee jaar nadat de economieën de coronamaatregelen begonnen te versoepelen en de opleving van de vraag de knelpunten in het aanbod verergerde. De consumptieprijzen stegen met 2%. Duitsland, Frankrijk, Spanje en Italië meldden allemaal een stijging. Deze versnelling van de inflatie is vooral te wijten aan de stijging van de energieprijzen. De kerninflatie, exclusief voedsel, tabak, alcohol en energie, bleef daarentegen binnen de perken met 1%. Nu de economie van de eurozone weer aantrekt, pleiten sommige beleidsmakers ervoor dat de ECB afziet van haar noodmaatregelen en terugkeert naar meer conventionele vormen van steun. 

​De ECB is echter van mening dat de huidige prijsstijgingen van tijdelijke aard zijn en er dus geen monetaire reactie nodig is. Voorzitster Christine Lagarde heeft herhaald dat het nog te vroeg is om besprekingen te starten over het verminderen van het noodaankoopprogramma. De gouverneur van de Banque de France was stelliger en zei dat er geen gevaar is voor een blijvende terugkeer van de inflatie in de eurozone.

Tot op zekere hoogte geen slechte zaak voor aandelenmarkten

Inderdaad, alles hangt af van het tempo waarin de situatie zich ontwikkelt. Zowel de gerealiseerde inflatie als de inflatieverwachtingen hebben een aanzienlijke invloed op het monetaire beleid, de obligatierendementen en de beurswaarderingen.

 
Een te hoge inflatie zou ongetwijfeld een destabiliserend effect hebben op risicovolle activa, terwijl een geleidelijke stijging van de inflatie, samen met negatieve reële rentetarieven (nominale rentetarieven min inflatie), de economieën uit het slop zou kunnen helpen, zonder de aandelen te schaden.
Pas echter op voor de evolutie van de winstmarges. In de industriële sectoren blijft de prijsdynamiek aan kracht winnen. Bedrijven rekenen de sterke stijging van de grondstoffenprijzen en de gevolgen van de capaciteitsbeperkingen in bepaalde bedrijfssectoren door. Maar dat is geen reden tot bezorgdheid, voorlopig toch niet. Omdat er volgens recente analyses goede en slechte inflatie is. De “goede inflatie” zou komen van hogere producentenprijzen (PPI).
De “slechte inflatie” is die van de consumentenprijsindex (CPI).


Historisch gezien is er een positieve correlatie tussen de producentenprijzen en de operationele marges van Europese bedrijven (zie grafiek 2), vooral die in cyclische sectoren omdat de vraag er heel groot is.
In de Verenigde Staten zien we dat de operationele marges van kleine bedrijven beter zijn wanneer de PPI hoger is dan de CPI, wat op dit ogenblik het geval is. Omgekeerd, d.w.z. wanneer de algemene stijging van de prijzen en kosten hoger is dan de stijging van de productieprijzen, zijn de marges slechter. Er schuilt dus geen gevaar in, maar het is iets om in de komende kwartalen in het oog te houden.

Graph 2.png 

Beetje meer inflatie, maar niet te veel

De stijging van de inflatie zou alle aandacht moeten blijven krijgen, omdat het post-pandemische economische herstel aan vaart wint. We hebben het niet over een inflatie die het niveau van de jaren zeventig bereikt. Het is veeleer de vraag of de inflatie na het coronavirus in de richting zal gaan van de door de centrale banken nagestreefde niveaus.

 
Mocht de economie oververhit raken, dan hebben de centrale banken de middelen en waarschijnlijk ook de wil om die druk te verminderen. We wijzen er nogmaals op dat de inflatievrees grotendeels een Amerikaans fenomeen is.

 
​ Zowel het inflatieniveau als de marktverwachtingen voor de inflatie zijn in de eurozone gestegen, maar in mindere mate. De kloof tussen de feitelijke en de potentiële productie is nog altijd groot en de arbeidsmarkt moet zich nog herstellen, terwijl de vergrijzing, de efficiëntie van de toeleveringsketen en de door technologie aangedreven productiviteitswinsten een desinflatoire druk blijven uitoefenen.